Словник
283 слів · сторінка 11 з 12
voetballenA1
voetbalde · hebben gevoetbald
грати у футбол
De kinderen voetballen na school op het plein.
volgenA2
volgde · hebben/zijn gevolgd
слідувати; відвідувати (курс)
Ik volg een cursus Nederlands bij de bibliotheek.
voorbereidenA2відокремлюваний
bereidde voor · hebben voorbereid
готувати (щось)
We bereiden de vergadering samen voor.
zich voorbereidenзворотний
готуватися
Ik bereid me voor op het examen.
voorkomenA1відокремлюванийнеправильне
kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen
траплятися, зустрічатися
Dat probleem komt hier vaak voor.
voorkómenA2неправильне
voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen
запобігати
Met een goede planning voorkom je veel stress.
voorlezenA2відокремлюванийнеправильне
las voor · lazen voor · hebben voorgelezen
читати вголос
Wil je mij de brief van de school even voorlezen?
vragenA1неправильне
vroeg · vroegen · hebben gevraagd
запитувати
Mag ik iets vragen?
просити
Hij vraagt zijn buurman om hulp.
vullenA2
vulde · hebben gevuld
наповнювати
Kun je de fles even met water vullen?
waaienA2
waaide · hebben gewaaid
дути (про вітер)
Het waait vandaag zo hard dat ik niet ga fietsen.
wachtenA2
wachtte · hebben gewacht
чекати
Ik wacht al een half uur.
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
гуляти
We gaan zondag wandelen.
wassenA2неправильне
waste · wasten · hebben gewassen
прати, мити
Ik moet nog kleren wassen.
weggaanA2відокремлюванийнеправильне
ging weg · gingen weg · zijn weggegaan
йти геть
Wanneer ga je weg?
weggooienA2відокремлюваний
gooide weg · hebben weggegooid
викидати
Gooi het oude papier weg.
wennenA2
wende · zijn gewend
звикати
Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.
wensenA2
wenste · hebben gewenst
бажати
Wij wensen u veel beterschap.
werkenA1
werkte · hebben gewerkt
працювати
Zij werkt in een ziekenhuis.
працювати, функціонувати (про пристрій)
De lift werkt vandaag niet.
wetenA1неправильне
wist · wisten · hebben geweten
знати
Ik weet het niet.
willenA1неправильне
wilde · wilden · hebben gewild
хотіти
Ik wil graag koffie.
winnenA2неправильне
won · wonnen · hebben gewonnen
вигравати, перемагати
Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?
wisselenA2
wisselde · hebben gewisseld
міняти (гроші)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?
змінюватися, чергуватися
Het weer wisselt hier van uur tot uur.
wonenA1
woonde · hebben gewoond
жити, мешкати
Wij wonen in Utrecht.
wordenA1неправильне
werd · werden · zijn geworden
ставати
Hij wil dokter worden.
(допоміжне дієслово пасивного стану)
De brief wordt morgen verstuurd.
zeggenA1неправильне
zei · zeiden · hebben gezegd
казати, сказати
Wat zei je?
zettenA1
zette · hebben gezet
ставити
Zet de stoel bij het raam.

