Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

110 слів · сторінка 1 з 5

  • bedankenA1

    bedankte · hebben bedankt

    дякувати

    Ik wil je bedanken voor je hulp.

  • bedoelenA1

    bedoelde · hebben bedoeld

    мати на увазі

    Wat bedoel je precies?

  • beginnenA1неправильне

    begon · begonnen · zijn begonnen

    починати(ся)

    De les begint om negen uur.

  • begrijpenA1неправильне

    begreep · begrepen · hebben begrepen

    розуміти

    Ik begrijp de vraag niet helemaal.

  • bellenA1

    belde · hebben gebeld

    дзвонити (телефоном)

    Ik bel je vanavond na het eten.

  • bepalenA1

    bepaalde · hebben bepaald

    визначати

    Jij mag bepalen waar we eten.

  • bereikenA1

    bereikte · hebben bereikt

    досягати; зв'язатися

    Je kunt mij het beste per mail bereiken.

  • bestaanA1неправильне

    bestond · bestonden · hebben bestaan

    існувати

    Zo'n regel bestaat hier niet.

  • betalenA1

    betaalde · hebben betaald

    платити

    Kan ik met pin betalen?

  • betekenenA1

    betekende · hebben betekend

    означати

    Wat betekent dit woord?

  • blijvenA1неправильне

    bleef · bleven · zijn gebleven

    залишатися

    Blijf je vanavond eten?

  • brengenA1неправильне

    bracht · brachten · hebben gebracht

    приносити, відвозити

    Ik breng de kinderen naar school.

  • delenA1

    deelde · hebben gedeeld

    ділити(ся)

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1неправильне

    dacht · dachten · hebben gedacht

    думати

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1неправильне

    deed · deden · hebben gedaan

    робити

    Wat doe je in het weekend?

  • dragenA1неправильне

    droeg · droegen · hebben gedragen

    носити

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drinkenA1неправильне

    dronk · dronken · hebben gedronken

    пити

    Wat wil je drinken?

  • dromenA1

    droomde · hebben gedroomd

    бачити сни, мріяти

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • durvenA1

    durfde · hebben gedurfd

    наважуватися

    Ik durf het niet te vragen.

  • etenA1неправильне

    at · aten · hebben gegeten

    їсти

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    їжа

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • fietsenA1

    fietste · hebben/zijn gefietst

    їздити на велосипеді

    Ik fiets elke dag naar school.

  • gaanA1неправильне

    ging · gingen · zijn gegaan

    йти, їхати

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gebeurenA1

    gebeurde · zijn gebeurd

    відбуватися

    Wat is er gebeurd?

  • gebruikenA1

    gebruikte · hebben gebruikt

    використовувати

    Mag ik je telefoon even gebruiken?

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    вірити

    Ik geloof je wel.