Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

13 слів · сторінка 1 з 1

  • vallenA1неправильне

    viel · vielen · zijn gevallen

    падати

    Pas op, je valt bijna.


    припадати (на дату)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    змінювати(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verdienenA1

    verdiende · hebben verdiend

    заробляти

    Hoeveel verdien je per uur?

  • vergetenA1неправильне

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    забувати

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verkopenA1неправильне

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    продавати

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vertellenA1

    vertelde · hebben verteld

    розповідати

    Vertel eens, hoe was je dag?

  • vertrouwenA1

    vertrouwde · hebben vertrouwd

    довіряти

    Ik vertrouw mijn buren, ze zijn altijd eerlijk.


    het vertrouwen

    довіра

    Het kost tijd om vertrouwen op te bouwen.

  • verwachtenA1

    verwachtte · hebben verwacht

    очікувати

    We verwachten hem om zes uur.

  • vindenA1неправильне

    vond · vonden · hebben gevonden

    знаходити; вважати

    Ik kan het niet vinden.

  • voelenA1

    voelde · hebben gevoeld

    відчувати (щось)

    Ik voel de wind in mijn gezicht.


    zich voelenзворотний

    почуватися

    Ik voel me vandaag beter.

  • voetballenA1

    voetbalde · hebben gevoetbald

    грати у футбол

    De kinderen voetballen na school op het plein.

  • voorkomenA1відокремлюванийнеправильне

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    траплятися, зустрічатися

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • vragenA1неправильне

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    запитувати

    Mag ik iets vragen?


    просити

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.