Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

98 слів · сторінка 1 з 4

  • vallenA1неправильне

    viel · vielen · zijn gevallen

    падати

    Pas op, je valt bijna.


    припадати (на дату)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • vangenB1неправильне

    ving · vingen · hebben gevangen

    ловити

    Mijn zoon ving de bal met één hand.

  • de varenB2

    папороть

    In de schaduw staan varens.


    пливти, іти (про судно)

    In de zomer varen we met de boot over het kanaal.

  • vaststellenB2відокремлюваний

    stelde vast · hebben vastgesteld

    констатувати, встановлювати

    Wij stellen vast dat er niets is veranderd.

  • vechtenB1неправильне

    vocht · vochten · hebben gevochten

    битися, боротися

    De twee jongens vechten op het schoolplein.

  • verachtenB2

    verachtte · hebben veracht

    зневажати

    Hij veracht elke vorm van oneerlijkheid.

  • verafschuwenB2

    verafschuwde · hebben verafschuwd

    відчувати огиду

    Hij verafschuwt elke vorm van geweld.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    змінювати(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verantwoordenB1

    verantwoordde · hebben verantwoord

    обґрунтовувати (рішення)

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.


    zich verantwoordenзворотний

    звітувати, відповідати

    Hij moest zich verantwoorden tegenover de directie.

  • verbazenA2

    verbaasde · hebben verbaasd

    дивувати

    Zijn reactie verbaasde iedereen.

  • verbergenB1неправильне

    verborg · verborgen · hebben verborgen

    ховати, приховувати

    Het kind verbergt het cadeau onder zijn bed.

  • verbeterenA2

    verbeterde · hebben/zijn verbeterd

    покращувати(ся)

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2неправильне

    verbood · verboden · hebben verboden

    забороняти

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verbindenB1неправильне

    verbond · verbonden · hebben verbonden

    з'єднувати

    Deze brug verbindt de twee delen van de stad.

  • verblekenB2

    verbleekte · zijn verbleekt

    бліднути

    Hij verbleekte toen hij het hoorde.

  • verblijvenB2неправильне

    verbleef · verbleven · hebben verbleven

    перебувати, проживати

    Tijdens de cursus verblijven de deelnemers in een hotel.

  • verbrandenB1

    verbrandde · hebben/zijn verbrand

    спалювати; обпікати

    Ik heb mijn hand aan de hete pan verbrand.

  • verdedigenB2

    verdedigde · hebben verdedigd

    захищати (у суперечці, суді)

    De advocaat verdedigt zijn klant in de rechtbank.

  • verdelenB1

    verdeelde · hebben verdeeld

    ділити, розподіляти

    We verdelen de kosten van het etentje eerlijk.

  • verdienenA1

    verdiende · hebben verdiend

    заробляти

    Hoeveel verdien je per uur?

  • verdragenB2неправильне

    verdroeg · verdroegen · hebben verdragen

    переносити, терпіти

    Ik kan de hitte in de zomer slecht verdragen.

  • verduidelijkenB2

    verduidelijkte · hebben verduidelijkt

    уточнювати, роз'яснювати

    Kunt u dat punt verduidelijken?

  • verduurzamenB2

    verduurzaamde · hebben verduurzaamd

    робити екологічнішим

    De gemeente wil oude woningen verduurzamen.

  • verdwijnenB1неправильне

    verdween · verdwenen · zijn verdwenen

    зникати

    Mijn sleutels zijn plotseling uit mijn tas verdwenen.

  • vergelijkenA2неправильне

    vergeleek · vergeleken · hebben vergeleken

    порівнювати

    Vergelijk beide teksten met elkaar.