Словник
4 слів · сторінка 1 з 1
uitgaanB1відокремлюванийнеправильне
ging uit · gingen uit · zijn uitgegaan
ходити розважатися
Vroeger gingen we elk weekend uit.
виходити з (чогось), припускати
We gaan ervan uit dat iedereen op tijd komt.
uitgevenA2відокремлюванийнеправильне
gaf uit · gaven uit · hebben uitgegeven
витрачати
Ik geef te veel geld uit aan eten.
видавати (книги)
Die uitgeverij geeft vooral kinderboeken uit.
uitkomenA2відокремлюванийнеправильне
kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen
підходити (про час)
Komt dinsdag jou goed uit?
з'ясуватися, виявитися
Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.
uitzoekenA2відокремлюванийнеправильне
zocht uit · zochten uit · hebben uitgezocht
з'ясовувати
Ik zoek uit wat de regels precies zijn.

