Словник
16 слів · сторінка 1 з 1
tachtigA1
вісімдесят
Mijn oma is tachtig jaar.
teA1
занадто
Deze jas is te duur voor mij.
частка перед інфінітивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
tegenA1
проти; (казати) комусь
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
навпроти
De bakker zit tegenover de kerk.
tenzijB2
якщо тільки не
Wij gaan door, tenzij u bezwaar maakt.
terwijlB1
в той час як, поки
Ik luister naar muziek terwijl ik kook.
tienA1
десять
Ik heb nog tien minuten.
tijdensA1
під час
Tijdens de les mag je niet bellen.
toenA2
коли (у минулому); тоді
Toen ik klein was, woonde ik in een dorp.
totA1
до
De winkel is open tot zes uur.
totdatB1
доки не
Wacht hier totdat de dokter je roept.
tussenA1
між
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
дванадцять
We eten om twaalf uur.
tweeA1
два
Ik heb twee kinderen.
tweedeA1
другий
Neem de tweede straat rechts.
twintigA1
двадцять
Het kost twintig euro.

