Словник
10 слів · сторінка 1 з 1
teA1
занадто
Deze jas is te duur voor mij.
частка перед інфінітивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
tegelijkertijdB1
в той самий час
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenwoordigA2
нині
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
tenminsteB1
принаймні
Hij komt morgen, tenminste dat zegt hij.
terugA1
назад
Ik ben om zes uur terug.
tevorenB1
заздалегідь
Bel even van tevoren als je later komt.
tochA1
все ж, все-таки
Het was koud, maar we gingen toch.
toeB1
зачинено (розм.)
Doe de deur even toe, het tocht hier.
toevalligA2
випадково
Ik zag mijn oude leraar toevallig in de supermarkt.
trouwensA2
до речі
Trouwens, heb je die brief al gelezen?

