Словник
9 слів · сторінка 1 з 1
naA1
після
Na het eten gaan we wandelen.
naarA1
до, в (напрямок)
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
поруч із
Hij zit naast mij.
neeA1
ні
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
negenA1
дев'ять
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
дев'яносто
Hij werd negentig jaar oud.
niemandA1
ніхто
Er is niemand thuis.
nietA1
не
Ik begrijp het niet.
nietsA1
нічого
Ik heb niets gezegd.

