Словник
13 слів · сторінка 1 з 1
naA1
після
Na het eten gaan we wandelen.
naarA1
до, в (напрямок)
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
поруч із
Hij zit naast mij.
nabijB2
поблизу (книжн.)
Het hotel ligt nabij het centraal station.
nadatB1
після того як
Nadat ik gegeten had, ging ik naar bed.
namensB1
від імені
Namens het hele team wens ik je veel succes.
neeA1
ні
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
negenA1
дев'ять
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
дев'яносто
Hij werd negentig jaar oud.
niemandA1
ніхто
Er is niemand thuis.
nietA1
не
Ik begrijp het niet.
nietsA1
нічого
Ik heb niets gezegd.
niksA2
нічого (розм.)
Ik heb vandaag nog niks gegeten.

