Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

17 слів · сторінка 1 з 1

  • mailenA2

    mailde · hebben gemaild

    надсилати електронною поштою

    Ik mail je de documenten vanavond.

  • makenA1

    maakte · hebben gemaakt

    робити, виготовляти

    Zij maakt een taart voor het feest.

  • marinerenB2

    marineerde · hebben gemarineerd

    маринувати

    Marineer de kip een nacht.

  • meedelenB1відокремлюваний

    deelde mee · hebben meegedeeld

    повідомляти (офіційно)

    Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.

  • meedoenA2відокремлюванийнеправильне

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    брати участь

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2відокремлюванийнеправильне

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    піти разом

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    довго служити (про речі)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.

  • meemakenA2відокремлюваний

    maakte mee · hebben meegemaakt

    переживати, зазнавати

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2відокремлюванийнеправильне

    nam mee · namen mee · hebben meegenomen

    брати з собою

    Neem je paspoort mee.


    враховувати, брати до уваги

    We nemen jouw voorstel mee in het besluit.

  • meldenA1

    meldde · hebben gemeld

    повідомляти

    U moet een verhuizing melden bij de gemeente.

  • menenB1

    meende · hebben gemeend

    мати на увазі (серйозно); вважати

    Meen je dat echt, of maak je een grapje?

  • merkenA2

    merkte · hebben gemerkt

    помічати

    Ik merk dat het beter gaat.


    de merken

    марки, бренди (мн. від merk)

    In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.

  • metselenB2

    metselde · hebben gemetseld

    класти цеглу

    Hij leerde metselen op de vakschool.

  • misbruikenB2

    misbruikte · hebben misbruikt

    зловживати

    Criminelen misbruiken soms gegevens van ouderen.

  • missenA1

    miste · hebben gemist

    пропустити; сумувати

    Ik heb de bus gemist.

  • moetenA1неправильне

    moest · moesten · hebben gemoeten

    мусити

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1неправильне

    mocht · mochten · hebben gemogen

    можна, мати право

    Mag ik hier zitten?

  • motiverenB1

    motiveerde · hebben gemotiveerd

    мотивувати

    De docent weet studenten goed te motiveren.