Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

20 слів · сторінка 1 з 1

  • lachenA1неправильне

    lachte · lachten · hebben gelachen

    сміятися

    We hebben veel gelachen.

  • langskomenA2відокремлюванийнеправильне

    kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen

    заходити, заглядати

    Kom je vanavond even langs?

  • latenA1неправильне

    liet · lieten · hebben gelaten

    дозволяти; віддавати (у ремонт)

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • leggenA1

    legde · hebben gelegd

    класти

    Leg het boek op tafel.

  • leidenB1

    leidde · hebben geleid

    керувати, вести

    Zij leidt al vijf jaar een team van tien mensen.

  • lenenA2

    leende · hebben geleend

    позичати

    Kan ik tien euro van je lenen?

  • lerenA1

    leerde · hebben geleerd

    вчити(ся)

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • lettenA2

    lette · hebben gelet

    стежити, звертати увагу (на)

    Wil je even op de kinderen letten?

  • levenA1

    leefde · hebben geleefd

    жити

    Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.


    het leven

    життя

    Het leven hier is heel anders.

  • leverenB1

    leverde · hebben geleverd

    постачати, доставляти

    De winkel levert de nieuwe bank op dinsdag.

  • lezenA1неправильне

    las · lazen · hebben gelezen

    читати

    Lees de tekst nog een keer.

  • liefhebbenB2відокремлюванийнеправильне

    had lief · hadden lief · hebben liefgehad

    любити

    Zij had haar vak oprecht lief.

  • liegenA2неправильне

    loog · logen · hebben gelogen

    брехати

    Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.

  • liggenA1неправильне

    lag · lagen · hebben gelegen

    лежати, знаходитися

    Het boek ligt op tafel.

  • lijdenB2неправильне

    leed · leden · hebben geleden

    страждати

    Veel mensen lijden aan stress door hun werk.

  • lijkenA1неправильне

    leek · leken · hebben geleken

    здаватися

    Het lijkt me een goed idee.

  • likenB2

    likete · hebben geliket

    лайкати

    Duizenden mensen likten de foto.

  • lopenA1неправильне

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    ходити пішки

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    тривати (про період)

    De cursus loopt van september tot juni.

  • luisterenA2

    luisterde · hebben geluisterd

    слухати

    Luister goed naar de vraag.

  • lukkenA2

    lukte · zijn gelukt

    вдаватися

    Het is me gelukt!