Словник
215 слів · сторінка 1 з 9
de kaarsA1
свічка
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
листівка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
het kaartjeA2
квиток
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
de kaartverkoopB2
продаж квитків
De kaartverkoop start morgenochtend.
de kaasA1
сир
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
de kabeljauwB2
тріска
De vangst van kabeljauw is beperkt.
het kabinetA2
кабінет міністрів
Het nieuwe kabinet is deze week beëdigd.
de kachelA1
обігрівач, піч
Zet de kachel wat hoger.
het kadasterB2
кадастр
Elke woning staat ingeschreven in het kadaster.
het kaderB2
рамки, контекст
In het kader van het project bezoeken we een fabriek.
de kamA1
гребінець
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
кімната
Mijn kamer is niet zo groot.
палата (парламенту)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
het KamerlidB2
депутат парламенту
Een Kamerlid stelde schriftelijke vragen.
het kampB1
табір
In de zomer gaan de kinderen een week op kamp.
de kampioenB1
чемпіон
Onze club werd dit jaar kampioen van de regio.
het kanaalA2
канал
Het kanaal verbindt twee rivieren.
de kandidaatB1
кандидат
Er zijn drie kandidaten voor deze baan.
de kaneelA1
кориця
Doe wat kaneel op de appels.
de kanorouteB2
маршрут для каное
De kanoroute loopt door het veen.
de kansA1
шанс, можливість
Dit is een mooie kans voor jou.
de kansengelijkheidB2
рівність можливостей
Kansengelijkheid in het onderwijs staat onder druk.
de kansenongelijkheidB2
нерівність можливостей
Kansenongelijkheid begint al op de basisschool.
de kantA2
сторона, бік
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
офіс
Ons kantoor is vlak bij het station.
het kantoorartikelB2
канцелярський товар
De kantoorartikelen worden centraal besteld.

