Словник
45 слів · сторінка 1 з 2
het haarA1
волосся
Zij heeft lang haar.
її (присвійне)
Anna zoekt haar sleutels in haar tas.
de hagelslagA1
шоколадна посипка
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
halenA1
haalde · hebben gehaald
забирати, приносити
Ik haal even brood.
halfA1
пів-, половинний
Het is half acht.
halloA1
привіт, алло
Hallo, hoe gaat het?
de hamA1
шинка
Ik neem een boterham met ham.
de handA1
рука (кисть)
Was je handen voor het eten.
de handdoekA1
рушник
De handdoek hangt in de badkamer.
handigA1
зручний, практичний
Dat is een handige app.
hardA1
твердий; гучний
Het bed is te hard.
het hartA1
серце
Mijn hart klopt snel.
de hartslagA1
пульс, серцебиття
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hatenA1
haatte · hebben gehaat
ненавидіти
Hij haat vergaderingen.
hebbenA1неправильне
had · hadden · hebben gehad
мати
Wij hebben twee kinderen.
(допоміжне дієслово перфекта)
Ik heb de brief gisteren al geschreven.
heelA1
дуже; цілий
Het is heel warm vandaag.
het hekA1
паркан, хвіртка
Doe het hek achter je dicht.
de helftA1
половина
De helft van de klas was ziek.
helpenA1неправильне
hielp · hielpen · hebben geholpen
допомагати
Kun je me even helpen?
de herfstA1
осінь
In de herfst waait het vaak hard.
de hersenenA1
мозок
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
hetenA1неправильне
heette · heetten · hebben geheten
називатися, зватися
Hoe heet jij?
de heupA1
стегно
Mijn oma heeft een nieuwe heup.
hierA1
тут
Ik woon hier al drie jaar.
hoeA1
як
Hoe gaat het met je?
de hoekA1
кут, ріг
De bakker zit om de hoek.

