Словарь
306 слов · страница 1 из 13
aanwezigA2
присутствующий
Je moet minstens 80% aanwezig zijn.
aardigA2
милый, славный
Mijn nieuwe collega's zijn erg aardig.
actiefA2
активный
Mijn opa is met tachtig jaar nog heel actief.
afhankelijkB1
зависимый, зависящий
Of we gaan, is afhankelijk van het weer.
afwezigA2
отсутствующий
Hij was vorige week afwezig.
algemeenB1
общий
In het algemeen ben ik tevreden over mijn werk.
alleenstaandA1
одинокий, без партнёра
Zij is een alleenstaande moeder.
anderA1
другой
Heb je een andere maat?
de armA1
рука
Mijn arm is stijf.
бедный
Veel arme gezinnen krijgen hulp van de gemeente.
bangA2
испуганный
Ik ben bang voor honden.
bekendA2
известный, знакомый
Deze zanger is in heel Nederland bekend.
bekwaamB1
умелый, компетентный
Zij is heel bekwaam in haar vak.
belachelijkB1
смешной, нелепый
Wat een belachelijk hoge prijs voor een kop koffie!
belangrijkA1
важный
Dit is een belangrijke brief.
beleefdB1
вежливый
Hij antwoordde kort maar beleefd.
benieuwdB1
интересно (узнать), любопытно
Ik ben benieuwd naar de uitslag van het examen.
beroemdA2
знаменитый
Hij is een beroemde zanger in zijn eigen land.
beschikbaarA2
доступный, имеющийся
Er is nog één plaats beschikbaar.
betaalbaarA2
доступный по цене
Een betaalbare woning is moeilijk te vinden.
betrokkenB1
вовлечённый, причастный
Alle medewerkers zijn bij het plan betrokken.
bewustB1
осознанный; сознательно
Ik eet de laatste tijd bewuster en gezonder.
bezetA1
занятый
Deze plaats is bezet.
bezigA1
занят
Ik ben nu even bezig.
bijzonderA2
особенный, необычный
Het was een bijzondere dag voor onze familie.
biologischA2
органический, био
Deze groente is biologisch geteeld.

