Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7809 слов · страница 99 из 313

  • gruwelijkB1

    ужасный, жуткий

    De foto’s van de oorlog waren gruwelijk.

  • de guldenB2

    гульден

    Voor de euro betaalden we in Nederland met de gulden.

  • gunnenB1

    gunde · hebben gegund

    желать (добра), не жалеть

    Ik gun het je echt dat je die baan krijgt.

  • de gunstB1

    одолжение, услуга

    Mag ik je om een kleine gunst vragen?

  • gunstigB1

    благоприятный, выгодный

    De rente is op dit moment gunstig om een huis te kopen.

  • de gynaecoloogB2

    гинеколог

    De gynaecoloog begeleidt de zwangerschap.

  • HaagsB2

    гаагский

    De Haagse politiek reageerde direct op het nieuws.

  • de haaiB2

    акула

    In de Noordzee leven ook kleine haaien.

  • de haakB2

    крючок

    Hang je jas maar aan de haak bij de deur.

  • de haalB2

    взмах, штрих

    Met een paar halen van de borstel was het klaar.

  • haalbaarB2

    выполнимый, осуществимый

    Is dit plan voor de gemeente financieel haalbaar?

  • het haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.


    её (притяжательное)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haardB2

    камин, очаг

    In de winter zitten we graag bij de haard.

  • de haastA2

    спешка

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.


    почти

    Het is haast onmogelijk om hier een parkeerplaats te vinden.

  • zich haastenB1возвратный

    haastte · hebben gehaast

    спешить, торопиться

    Je hoeft je niet te haasten, we hebben tijd.

  • haastigB1

    торопливый, поспешный

    Hij at haastig zijn brood en rende naar buiten.

  • de haatB1

    ненависть

    Haat en geweld lossen geen enkel probleem op.

  • hackenB2

    hackte · hebben gehackt

    взламывать

    Criminelen hebben het account van mijn buurman gehackt.

  • de hagelB2

    град

    De hagel beschadigde de gewassen.

  • de hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • de hakB2

    каблук; пятка

    Op het feest droeg zij schoenen met hoge hakken.

  • hakenB1

    haakte · hebben gehaakt

    вязать крючком; цеплять

    Mijn oma haakt een warme deken voor de baby.

  • hakkenB1

    hakte · hebben gehakt

    рубить, мелко резать

    Hak de ui en de knoflook fijn.

  • de halA2

    прихожая, холл

    Zet je schoenen maar in de hal.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    забирать, приносить

    Ik haal even brood.