Словарь
2916 слов · страница 89 из 117
teA1
слишком
Deze jas is te duur voor mij.
частица перед инфинитивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
het teamA2
команда
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamgeestB1
командный дух
De teamgeest is hier goed.
de teamleiderB1
руководитель группы
Vraag het even aan de teamleider.
de teamsportB1
командный спорт
Voetbal is de bekendste teamsport.
de teamvergaderingA2
собрание команды
De teamvergadering is elke maandag.
de techniekB1
техника; приём
Hij heeft veel interesse in techniek en computers.
technischB1
технический
Zij volgt een technische opleiding op het mbo.
de technologieA2
технология
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
одновременно
Praat niet allemaal tegelijk.
tegelijkertijdB1
в то же самое время
Ik kan niet koken en tegelijkertijd bellen.
tegenA1
против; (говорить) кому-то
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
напротив (через дорогу)
De bakker zit tegenover de kerk.
de tegenstanderB1
противник, соперник
Onze tegenstander was veel sterker dan wij.
tegenwoordigA2
в наши дни
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
het tegoedA2
остаток средств
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
het tekenB1
знак, признак
Een rode lucht is een teken van mooi weer.
tekenenA2
tekende · hebben getekend
рисовать
Mijn dochter tekent graag.
de tekstA1
текст
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
het telefoongesprekB1
телефонный разговор
Na het telefoongesprek was alles duidelijk.
teleurgesteldA2
разочарованный
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
de televisieA1
телевизор
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
telde · hebben geteld
считать
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
засчитываться, иметь значение
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.

