Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

3699 слов · страница 83 из 148

  • opbergenA2отделяемыйнеправильный

    borg op · borgen op · hebben opgeborgen

    убирать (на место)

    Berg je spullen op in de kast.

  • opbouwenB1отделяемый

    bouwde op · hebben opgebouwd

    создавать, выстраивать

    Zij heeft hier een nieuw leven opgebouwd.

  • de opbrengstB1

    выручка, доход

    De opbrengst van de markt gaat naar een goed doel.

  • de opdrachtA2

    задание, поручение

    Ik heb deze opdracht van mijn baas gekregen.

  • opeensA2

    вдруг

    Opeens ging het licht uit en werd het donker.

  • openA1

    открытый

    De winkel is nog open.

  • openbaarA1

    публичный, общественный

    De vergadering is openbaar.

  • openbare ordeB1

    общественный порядок

    De politie handhaaft de openbare orde.

  • openenA1

    opende · hebben geopend

    открывать

    De winkel opent om negen uur.

  • de openingB1

    открытие (церемония)

    Bij de opening van de nieuwe bibliotheek was de burgemeester.

  • de operatieA2

    операция

    De operatie is goed gegaan.

  • opgeluchtA2

    испытавший облегчение

    Ik was opgelucht toen het voorbij was.

  • opgewektA2

    жизнерадостный

    Ze is meestal heel opgewekt.

  • opgroeienB1отделяемый

    groeide op · zijn opgegroeid

    вырастать

    Ik ben opgegroeid in een klein dorp in Turkije.

  • ophalenA2отделяемый

    haalde op · hebben opgehaald

    забирать, заезжать за

    Ik haal je om zeven uur op.

  • ophangenA2отделяемыйнеправильный

    hing op · hingen op · hebben opgehangen

    вешать

    Kun je deze foto aan de muur ophangen?

  • opheffenB1отделяемыйнеправильный

    hief op · hieven op · hebben opgeheven

    отменять, снимать; поднимать

    Het verbod op vuurwerk is nog niet opgeheven.

  • ophoudenB1отделяемыйнеправильный

    hield op · hielden op · hebben/zijn opgehouden

    прекращаться, переставать

    Het is eindelijk opgehouden met regenen.

  • opkomenB1отделяемыйнеправильный

    kwam op · kwamen op · zijn opgekomen

    заступаться; появляться

    Je moet voor jezelf opkomen op je werk.

  • de opkomstB1

    явка; подъём

    De opkomst bij de verkiezingen was dit jaar hoog.

  • opleidenB1отделяемый

    leidde op · hebben opgeleid

    обучать, готовить (специалистов)

    Het ziekenhuis leidt zelf verpleegkundigen op.

  • de opleidingA2

    образование, обучение

    Welke opleiding heb je gedaan?

  • oplettenA2отделяемый

    lette op · hebben opgelet

    быть внимательным

    Let goed op bij het oversteken.

  • opleverenB1отделяемый

    leverde op · hebben opgeleverd

    приносить (результат); сдавать (объект)

    Het nieuwe beleid heeft veel geld opgeleverd.

  • oplopenB1отделяемыйнеправильный

    liep op · liepen op · zijn opgelopen

    расти; получать (травму)

    De kosten lopen steeds verder op.