Словарь
3699 слов · страница 75 из 148
de muzikantB1
музыкант
Op straat speelt een muzikant gitaar.
naA1
после
Na het eten gaan we wandelen.
de naamA1
имя
Wat is jouw naam?
naarA1
к, в (направление)
Ik ga naar mijn werk.
naartoeA2
туда, куда (направление)
Waar ga je in de zomervakantie naartoe?
naastA1
рядом с
Hij zit naast mij.
nabijB1
вблизи (книжн.)
Het hotel ligt nabij het centraal station.
de nachtA1
ночь
Ik heb de hele nacht slecht geslapen.
de nachtdienstA2
ночная смена
Deze week heb ik nachtdienst.
de nachtmerrieB1
кошмар
Ik had vannacht een vreselijke nachtmerrie.
nadatA2
после того как
Nadat ik gegeten had, ging ik naar bed.
het nadeelB1
недостаток, минус
Het nadeel van dit huis is de afstand tot het station.
nadenkenA2отделяемыйнеправильный
dacht na · dachten na · hebben nagedacht
обдумывать
Ik moet er nog even over nadenken.
de nadrukB1
ударение, акцент
De docent legt de nadruk op uitspraak.
de nagelA1
ноготь
Mijn nagels zijn te lang.
het nagerechtA2
десерт
Als nagerecht is er ijs.
het najaarB1
осень (вторая половина года)
In het najaar beginnen we met de verbouwing.
nakijkenA2отделяемыйнеправильный
keek na · keken na · hebben nagekeken
проверять (работы, ошибки)
De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.
namelijkA2
дело в том, что
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
namensB1
от имени
Namens het hele team wens ik je veel succes.
natA1
мокрый
Mijn jas is helemaal nat.
de natieB1
нация
De koning sprak met Kerstmis de hele natie toe.
nationaalB1
национальный
Het nationale museum is gratis voor kinderen.
de naturalisatieA2
натурализация
Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.
de natuurA2
природа
Op zondag wandelen we graag in de natuur.

