Словарь
430 слов · страница 7 из 18
de jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
de kaarsA1
свеча
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
открытка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
de kaasA1
сыр
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
de kachelA1
обогреватель, печь
Zet de kachel wat hoger.
de kamA1
расчёска
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
комната
Mijn kamer is niet zo groot.
палата (парламента)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
de kaneelA1
корица
Doe wat kaneel op de appels.
de kansA1
шанс, возможность
Dit is een mooie kans voor jou.
de kastA1
шкаф
Je jas hangt in de kast.
de keelA1
горло
Ik heb pijn in mijn keel.
de keerA1
раз
Ik ga twee keer per week sporten.
de kelderA1
подвал
De fietsen staan in de kelder.
de kennisA1
знания
Hij heeft veel kennis van computers.
знакомый (человек)
Een kennis van mij werkt bij die school.
de kerkA1
церковь
De kerk staat op het plein.
de keukenA1
кухня
De keuken is net schoongemaakt.
de kiloA1
килограмм
Een kilo appels kost op de markt twee euro.
de kinA1
подбородок
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
het kindA1
ребёнок
Het kind speelt in de tuin.
de kipA1
курица
Ik eet liever kip dan rundvlees.
de klasA1
класс (группа учеников)
In mijn klas zitten studenten uit tien landen.
de kleindochterA1
внучка
Zijn kleindochter gaat al naar school.

