Словарь
1756 слов · страница 63 из 71
de visA1
рыба
Op vrijdag eten we vaak vis.
de vitamineA2
витамин
In de winter slik ik extra vitamine D.
de vlaA1
ванильный десерт
Als toetje eten we vla.
de vlagA2
флаг
Op Koningsdag hangt overal de Nederlandse vlag.
het vleesA1
мясо
Zij eet geen vlees.
vliegenA2неправильный
vloog · vlogen · hebben/zijn gevlogen
летать, лететь
We vliegen volgende week naar Marokko.
het vliegtuigA2
самолёт
Het vliegtuig vertrekt om zeven uur.
de vloerA1
пол
De vloer is nog nat.
de vloerverwarmingA2
тёплый пол
In de badkamer ligt vloerverwarming.
de vluchtA2
рейс, полёт; бегство
Onze vlucht naar Istanbul heeft twee uur vertraging.
de vluchtelingA2
беженец
De gemeente vangt vluchtelingen op.
het voedingsmiddelA2
пищевой продукт
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel zout.
de voedingswaardeA2
пищевая ценность
De voedingswaarde staat op de verpakking.
het voedselA2
продовольствие, пища
Er wordt veel voedsel weggegooid.
voelenA1
voelde · hebben gevoeld
чувствовать (что-то)
Ik voel de wind in mijn gezicht.
zich voelenвозвратный
чувствовать себя
Ik voel me vandaag beter.
de voetA1
ступня
Mijn voet doet zeer.
het voetbalA1
футбол
Op zaterdag kijkt mijn vader altijd voetbal op tv.
de voetbalclubA2
футбольный клуб
Mijn zoon is lid van de voetbalclub in ons dorp.
voetballenA1
voetbalde · hebben gevoetbald
играть в футбол
De kinderen voetballen na school op het plein.
volA1
полный
De bus is helemaal vol.
volgenA2
volgde · hebben/zijn gevolgd
следовать; посещать (курс)
Ik volg een cursus Nederlands bij de bibliotheek.
volgendA1
следующий
Volgende week begin ik met de cursus.
volgensA2
по словам, согласно
Volgens de dokter moet ik meer bewegen.
volwassenA2
взрослый
Mijn kinderen zijn al volwassen en wonen op zichzelf.
voorA1
для; перед
Dit cadeau is voor jou.

