Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

3699 слов · страница 61 из 148

  • de knopA2

    кнопка; бутон

    Druk op de groene knop om te beginnen.

  • knuffelenA2

    knuffelde · hebben geknuffeld

    обнимать

    Het kind knuffelt zijn teddybeer voor het slapen.

  • de koekA1

    печенье

    Bij de koffie krijg je een koekje.

  • de koelkastA1

    холодильник

    De melk staat in de koelkast.

  • de koersB1

    курс (валюты), направление

    De koers van de euro is vandaag gestegen.

  • de kofferA2

    чемодан

    Mijn koffer is te zwaar.

  • de koffieA1

    кофе

    Zullen we een kopje koffie drinken?

  • kokenA2

    kookte · hebben gekookt

    готовить

    Wie kookt er vanavond?


    кипеть

    Wacht tot het water kookt en doe dan de pasta erin.

  • komenA1неправильный

    kwam · kwamen · zijn gekomen

    приходить

    Kom je vanavond ook?

  • de komkommerA1

    огурец

    Snijd de komkommer in plakjes.

  • de komstB1

    приход, появление

    Door de komst van de baby is alles veranderd.

  • de koningA1

    король

    De koning opende het parlementaire jaar.

  • de koninginA2

    королева

    De koningin bezocht het ziekenhuis.

  • de KoningsdagA2

    День короля

    Op Koningsdag is het hele land oranje.

  • koninklijkB1

    королевский

    Op Koningsdag bezoekt de koninklijke familie een stad.

  • het koninkrijkB1

    королевство

    Nederland is een koninkrijk met een koning als staatshoofd.

  • het kookboekA2

    кулинарная книга

    Dit recept staat in mijn kookboek.

  • de koolA1

    капуста

    In de winter eten we vaak kool.


    уголь

    Vroeger stookten ze de kachel op kool.

  • het koopjeA2

    выгодная покупка

    Die jas was echt een koopje.

  • het koorB1

    хор

    Mijn moeder zingt in een koor van de kerk.

  • de koortsA2

    жар, высокая температура

    Het kind heeft koorts.

  • de kopA2

    чашка; голова (животного)

    Wil je een kop thee of liever koffie?

  • kopenA1неправильный

    kocht · kochten · hebben gekocht

    покупать

    Ik koop brood bij de bakker.

  • de koperB1

    покупатель; медь

    De koper van ons huis wil in juni verhuizen.

  • de kopieB1

    копия

    Neem een kopie van je diploma mee.