Словарь
217 слов · страница 6 из 9
nieuwsgierigA2
любопытный
Ik ben nieuwsgierig naar het resultaat.
nodigA1
нужный
Ik heb je hulp nodig.
normaalA2
нормальный, обычный
Dat is hier heel normaal.
onafhankelijkA2
независимый
De rechter oordeelt onafhankelijk.
ongeduldigA2
нетерпеливый
Ze wachtte ongeduldig op het antwoord.
ongerustA2
встревоженный
Ik was ongerust toen je niet belde.
onmogelijkA2
невозможный
Het is onmogelijk om alles in één dag te doen.
onrustigA2
беспокойный
Ik sliep onrustig voor het examen.
openA1
открытый
De winkel is nog open.
openbaarA1
публичный, общественный
De vergadering is openbaar.
opgeluchtA2
испытавший облегчение
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgewektA2
жизнерадостный
Ze is meestal heel opgewekt.
oranjeA1
оранжевый
Het Nederlands elftal speelt in oranje.
oudA1
старый
Dit is een oud gebouw.
paarsA1
фиолетовый
De bloemen in de tuin zijn paars.
perfectA2
идеальный, безупречный
Je Nederlands is bijna perfect, heel goed gedaan!
pijnlijkA2
болезненный
De behandeling is niet pijnlijk.
politiekA1
политика; политический
In de politiek gaat het vaak om compromissen.
prachtigA2
прекрасный
Vanaf de dijk heb je een prachtig uitzicht.
prettigA2
приятный
Ik vind het prettig om in de ochtend te sporten.
primaA2
отлично, хорошо
Dat is prima, we spreken morgen om tien uur af.
raarA2
странный (разг.)
Het eten smaakt een beetje raar vandaag.
het rechtA1
право
Je hebt recht op een advocaat.
прямой, прямо
De weg loopt recht naar het centrum.
regelmatigA2
регулярно
Ik sport regelmatig.
rijkA1
богатый
Zij komt uit een rijke familie.

