Словарь
1756 слов · страница 55 из 71
de tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
de tandartsA2
стоматолог
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
de tandenborstelA1
зубная щётка
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
тётя
Mijn tante komt op bezoek.
het tapijtA2
ковёр
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
de tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
de taxiA2
такси
We namen een taxi naar het hotel.
teA1
слишком
Deze jas is te duur voor mij.
частица перед инфинитивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
het teamA2
команда
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamvergaderingA2
собрание команды
De teamvergadering is elke maandag.
de technologieA2
технология
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
одновременно
Praat niet allemaal tegelijk.
tegenA1
против; (говорить) кому-то
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
напротив (через дорогу)
De bakker zit tegenover de kerk.
tegenwoordigA2
в наши дни
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.
het tegoedA2
остаток средств
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
tekenenA2
tekende · hebben getekend
рисовать
Mijn dochter tekent graag.
de tekstA1
текст
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
teleurgesteldA2
разочарованный
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
de televisieA1
телевизор
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
telde · hebben geteld
считать
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
засчитываться, иметь значение
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
terugA1
обратно, назад
Ik ben om zes uur terug.
terugbetalenA2отделяемый
betaalde terug · hebben terugbetaald
возвращать (деньги)
Ik betaal je volgende week terug.

