Словарь
306 слов · страница 4 из 13
gebruikelijkA2
принятый, обычный
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
geduldigA2
терпеливый
De docent is heel geduldig.
geelA1
жёлтый
De bloemen in de tuin zijn geel.
geïnteresseerdB1
заинтересованный
Ik ben erg geïnteresseerd in de geschiedenis van Nederland.
geïrriteerdA2
раздражённый
Hij raakte geïrriteerd door het wachten.
gekA2
сумасшедший, странный
Wat een gek idee, dat werkt toch niet!
geldigB1
действительный
Uw paspoort is nog twee jaar geldig.
gelijkA1
прав; одинаковый
Je hebt gelijk.
gelukkigA1
счастливый; к счастью
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.
gemakkelijkA2
лёгкий (нетрудный)
De eerste opdracht van het examen was gemakkelijk.
gemeubileerdA2
меблированный
Wij zoeken een gemeubileerde woning.
gemiddeldA2
в среднем
Ik werk gemiddeld dertig uur per week.
geschiktA2
подходящий
Deze woning is geschikt voor een gezin.
gestrestA2
в стрессе, напряжённый
Voor het examen was ik erg gestrest.
getrouwdA1
женат / замужем
Zij is al tien jaar getrouwd.
gevaarlijkA2
опасный
Het is gevaarlijk om op het ijs te lopen.
gevoeligB1
чувствительный
Zij is erg gevoelig voor kritiek.
geweldigA2
потрясающий, отличный
Het concert gisteren was echt geweldig!
gewondA2
раненый
Bij het ongeluk raakte niemand gewond.
gewoonA1
обычный; просто
Het was een gewone dag op kantoor.
gezelligB1
уютный, приятный
Het was een gezellige avond.
gezondA2
здоровый
Hij eet heel gezond.
goedA1
хороший
Het gaat goed met mij.
goedkoopA2
дешёвый
Deze winkel is vrij goedkoop.
goudenB1
золотой
Zij kreeg een gouden ketting voor haar verjaardag.

