Словарь
2767 слов · страница 27 из 111
het feestA1
праздник, вечеринка
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
праздничный день
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
het feitA1
факт
Scheid feiten van meningen.
feliciterenB1
feliciteerde · hebben gefeliciteerd
поздравлять
Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.
het festivalA2
фестиваль
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
велосипед
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenA1
fietste · hebben/zijn gefietst
ездить на велосипеде
Ik fiets elke dag naar school.
de fietsenstallingA2
велопарковка
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
велосипедист
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
het fietspadB1
велодорожка
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
de fietspompA2
велонасос
Heb je een fietspomp voor me?
de fietsrouteA2
велосипедный маршрут
Deze fietsroute gaat door het bos.
het fietsslotA2
велозамок
Vergeet je fietsslot niet.
de fietstunnelB1
велотоннель
Neem de fietstunnel onder het spoor door.
de fietsveiligheidB1
безопасность велосипедиста
Verlichting is belangrijk voor je fietsveiligheid.
de fietsverhuurA2
прокат велосипедов
Bij het station is een fietsverhuur.
het figuurB1
рисунок, схема; фигура
Kijk naar het figuur op pagina tien van het boek.
fijnA2
приятный, хороший
Fijn dat je er bent, kom maar binnen!
de fileB1
пробка
Ik stond een uur in de file.
de filmA1
фильм
We kijken vanavond een film.
de finaleB1
финал
Ons team heeft de finale van het toernooi gehaald.
financieelA2
финансовый
Zij zijn financieel onafhankelijk.
de financiënB1
финансы
Mijn financiën zijn nu weer op orde.
de flesA1
бутылка
Er staat een fles wijn op tafel.
het flesjeA2
бутылочка
Neem een flesje water mee.

