Словарь
1768 слов · страница 27 из 71
januariA1
январь
Mijn cursus begint in januari.
de jasA1
куртка
Doe je jas aan, het is koud.
de jeugdB1
юность, детство
In mijn jeugd speelde ik altijd buiten op straat.
de jongenA1
мальчик
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
журналист
De journalist sprak met meerdere getuigen.
het jubileumB1
юбилей
De vereniging viert haar vijftigjarig jubileum.
juliA1
июль
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
июнь
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
платье
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
de kaarsA1
свеча
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
открытка; карта
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
het kaartjeA2
билет
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
de kaasA1
сыр
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
het kabinetA2
кабинет министров
Het nieuwe kabinet is deze week beëdigd.
de kachelA1
обогреватель, печь
Zet de kachel wat hoger.
de kamA1
расчёска
Mag ik je kam even lenen?
de kamerA1
комната
Mijn kamer is niet zo groot.
палата (парламента)
De Tweede Kamer stemt volgende week over de wet.
het kampB1
лагерь
In de zomer gaan de kinderen een week op kamp.
de kampioenB1
чемпион
Onze club werd dit jaar kampioen van de regio.
het kanaalA2
канал
Het kanaal verbindt twee rivieren.
de kandidaatB1
кандидат
Er zijn drie kandidaten voor deze baan.
de kaneelA1
корица
Doe wat kaneel op de appels.
de kansA1
шанс, возможность
Dit is een mooie kans voor jou.
de kantA2
сторона
Aan welke kant van de straat woont u?
het kantoorA2
офис
Ons kantoor is vlak bij het station.

