Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

634 слов · страница 24 из 26

  • vindenA1неправильный

    vond · vonden · hebben gevonden

    находить; считать

    Ik kan het niet vinden.

  • vliegenA2неправильный

    vloog · vlogen · hebben/zijn gevlogen

    летать, лететь

    We vliegen volgende week naar Marokko.

  • voelenA1

    voelde · hebben gevoeld

    чувствовать (что-то)

    Ik voel de wind in mijn gezicht.


    zich voelenвозвратный

    чувствовать себя

    Ik voel me vandaag beter.

  • voerenB1

    voerde · hebben gevoerd

    вести (разговор); кормить

    Gisteren voerden we een lang gesprek over de toekomst.


    кормить (животных)

    Mijn dochter voert elke ochtend de konijnen in de tuin.

  • voetballenA1

    voetbalde · hebben gevoetbald

    играть в футбол

    De kinderen voetballen na school op het plein.

  • voldoenB2неправильный

    voldeed · voldeden · hebben voldaan

    соответствовать (требованиям)

    Uw aanvraag moet aan alle voorwaarden voldoen.

  • volgenA2

    volgde · hebben/zijn gevolgd

    следовать; посещать (курс)

    Ik volg een cursus Nederlands bij de bibliotheek.

  • volhardenB2

    volhardde · hebben volhard

    упорствовать

    Zij volhardde in haar standpunt.

  • volhoudenB2отделяемыйнеправильный

    hield vol · hielden vol · hebben volgehouden

    выдерживать, не сдаваться

    Het is zwaar, maar hij houdt vol.

  • voorbereidenA2отделяемый

    bereidde voor · hebben voorbereid

    готовить (что-то)

    We bereiden de vergadering samen voor.


    zich voorbereidenвозвратный

    готовиться

    Ik bereid me voor op het examen.

  • zich voordoenB2отделяемыйвозвратныйнеправильный

    deed voor · deden voor · hebben voorgedaan

    возникать (о ситуации)

    Als zich een probleem voordoet, bel ons dan.

  • voorkomenA1отделяемыйнеправильный

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    встречаться, случаться

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorkómenA2неправильный

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    предотвращать

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2отделяемыйнеправильный

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    читать вслух

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • voorstellenB1отделяемый

    stelde voor · hebben voorgesteld

    предлагать (идею, вариант)

    Mag ik een andere datum voorstellen?


    представлять (знакомить); представлять себе (zich voorstellen)

    Mag ik me even voorstellen? Ik ben Sara.

  • voorzienB2неправильный

    voorzag · voorzagen · hebben voorzien

    снабжать; предвидеть

    Alle kamers zijn voorzien van een eigen badkamer.

  • voorzittenB2отделяемыйнеправильный

    zat voor · zaten voor · hebben voorgezeten

    председательствовать

    Zij zal de vergadering voorzitten.

  • vormenB1

    vormde · hebben gevormd

    образовывать, формировать

    De kinderen vormen een kring rond de leraar.

  • vragenA1неправильный

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    спрашивать

    Mag ik iets vragen?


    просить

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • vrezenB2

    vreesde · hebben gevreesd

    опасаться, бояться

    De boeren vrezen een droge zomer.

  • vullenA2

    vulde · hebben gevuld

    наполнять

    Kun je de fles even met water vullen?

  • waaienA2

    waaide · hebben gewaaid

    дуть (о ветре)

    Het waait vandaag zo hard dat ik niet ga fietsen.

  • waarderenB2

    waardeerde · hebben gewaardeerd

    ценить

    Ik waardeer je eerlijkheid.

  • waarschuwenB1

    waarschuwde · hebben gewaarschuwd

    предупреждать

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    wachtte · hebben gewacht

    ждать

    Ik wacht al een half uur.