Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7809 слов · страница 236 из 313

  • stijfB2

    затёкший, жёсткий

    Na de lange fietstocht waren mijn benen stijf.

  • stijgenB1неправильный

    steeg · stegen · zijn gestegen

    подниматься, расти

    De prijzen van boodschappen stijgen elk jaar.

  • de stijgingB2

    рост, повышение

    De stijging zette in 2020 in.

  • de stijlB1

    стиль

    Ik vind de stijl van dit huis erg mooi.

  • de stijlfiguurB2

    стилистическая фигура

    Een metafoor is een bekende stijlfiguur.

  • stikkenB2

    stikte · zijn gestikt

    задыхаться, подавиться

    Pas op dat de baby niet stikt in een stukje speelgoed.

  • stilA1

    тихий

    Wees even stil, alsjeblieft.

  • stilstaanB1отделяемыйнеправильный

    stond stil · stonden stil · hebben stilgestaan

    стоять (на месте); задерживаться (на чём-то)

    Door het ongeluk stond het verkeer een uur stil.

  • de stilstandB2

    остановка, застой

    Door de staking kwam de productie tot stilstand.

  • de stilteA2

    тишина

    In de bibliotheek moet je de stilte respecteren.

  • stimulerenB1

    stimuleerde · hebben gestimuleerd

    стимулировать, поощрять

    De school stimuleert kinderen om veel te lezen.

  • stinkenA2неправильный

    stonk · stonken · hebben gestonken

    вонять

    De vuilnisbak stinkt, kun je hem buiten zetten?

  • de stoelA1

    стул

    Neem een stoel en ga zitten.

  • de stoepA2

    тротуар

    Loop op de stoep, niet op het fietspad.

  • stoerA2

    крутой, бравый

    Mijn zoontje vindt zichzelf heel stoer met zijn nieuwe jas.

  • de stoetB2

    процессия, шествие

    Een lange stoet trok door de straten tijdens het carnaval.

  • de stofB1

    ткань; вещество

    Deze jurk is gemaakt van een zachte stof.


    het stof

    пыль

    Op de kast ligt een dikke laag stof.

  • de stofwisselingB2

    обмен веществ

    Met de leeftijd vertraagt de stofwisseling.

  • stofzuigenA2

    stofzuigde · hebben gestofzuigd

    пылесосить

    Ik stofzuig één keer per week.

  • de stofzuigerA2

    пылесос

    Waar staat de stofzuiger?

  • de stokB2

    палка

    De hond rende achter de stok aan.

  • stomA2

    глупый, дурацкий

    Wat stom, ik ben mijn sleutels vergeten.

  • de stopB1

    остановка; пробка

    Na twee uur rijden maakten we een korte stop.

  • het stopcontactA1

    розетка

    Er is hier geen stopcontact.

  • stoppenA1

    stopte · hebben/zijn gestopt

    прекращать, останавливать

    Hij is gestopt met roken.