Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7809 слов · страница 233 из 313

  • de stagiaireB1

    стажёрка, практикантка

    Onze stagiaire studeert verpleegkunde aan het mbo.

  • stakenB1

    staakte · hebben gestaakt

    бастовать; прекращать

    De buschauffeurs staken morgen voor een hoger loon.

  • de stakingB1

    забастовка

    Door de staking reden er geen treinen.

  • de stalB1

    хлев, конюшня

    In de winter staan de koeien in de stal.

  • de stamB2

    основа глагола

    De stam van 'werken' is 'werk'.


    ствол (дерева)

    De stam van die oude eik is heel dik.

  • stammenB1

    stamde · hebben gestamd

    происходить, датироваться

    Dit huis stamt uit de zeventiende eeuw.

  • stampenB2

    stampte · hebben gestampt

    топать; зубрить

    Het boze kind stampte met zijn voeten op de grond.

  • de standB1

    счёт; положение

    De stand na de eerste helft is twee tegen nul.

  • het stand-byverbruikB2

    потребление в режиме ожидания

    Stand-byverbruik kost per jaar tientallen euro's.

  • standaardB1

    стандартный; по умолчанию

    Deze telefoon heeft standaard een hoesje erbij.

  • de standaardafwijkingB2

    стандартное отклонение

    De standaardafwijking is klein.

  • de standaardbriefB2

    типовое письмо

    Dit is duidelijk een standaardbrief.

  • standaardiserenB2

    standaardiseerde · hebben gestandaardiseerd

    стандартизировать

    We willen de werkwijze standaardiseren.

  • het standbeeldB1

    памятник, статуя

    Op het plein staat een standbeeld van een dichter.

  • het standpuntB1

    точка зрения

    Zij verdedigde haar standpunt goed.

  • de standpuntbepalingB2

    определение позиции

    De standpuntbepaling van de partij duurde lang.

  • standvastigB2

    стойкий, непоколебимый

    Hij bleef standvastig ondanks de kritiek.

  • de stankB2

    вонь

    Uit de vuilnisbak komt een vreselijke stank.

  • de stapA2

    шаг

    Een cursus volgen is een goede eerste stap naar werk.

  • de stapelB2

    стопка, куча

    Op mijn bureau ligt een stapel post.

  • stappenA2

    stapte · hebben/zijn gestapt

    шагать, ступать

    Hij stapte snel in de auto en reed weg.

  • het stappenplanB2

    пошаговый план

    Het stappenplan telt zeven stappen.

  • starenB2

    staarde · hebben gestaard

    пристально смотреть

    Zij staarde uit het raam.

  • de startB1

    старт, начало

    De start van de wandeltocht is om tien uur bij het station.

  • de start-upB2

    стартап

    De start-up groeide in drie jaar naar vijftig man.