Словарь
7809 слов · страница 231 из 313
spottenB2
spotte · hebben gespot
насмехаться; замечать
Je moet niet spotten met andermans geloof.
de spraakB2
речь (способность говорить)
Na de beroerte had hij problemen met zijn spraak.
het sprakeloosB2
лишившийся дара речи
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
de spreekbeurtB1
устное выступление
Mijn dochter houdt morgen een spreekbeurt.
de spreekkamerB1
кабинет врача
De dokter roept u zo in de spreekkamer.
de spreekstijlB2
стиль речи
Zijn spreekstijl is rustig en helder.
de spreektaalB1
разговорная речь
In spreektaal zeg je dat korter.
het spreektempoB1
темп речи
Zijn spreektempo ligt erg hoog.
het spreekuurA2
часы приёма
Het spreekuur is van negen tot elf.
de spreekvaardigheidB1
навык говорения
Mijn spreekvaardigheid is zwakker dan mijn leesvaardigheid.
het spreekwoordB2
пословица
Dat is een bekend Nederlands spreekwoord.
spreidenB2
spreidde · hebben gespreid
распределять, раскладывать
U kunt de betaling spreiden over twaalf maanden.
de spreidingB2
диверсификация
Spreiding verkleint je risico.
sprekenA1неправильный
sprak · spraken · hebben gesproken
говорить
Spreekt u Nederlands?
de sprekerB1
оратор, докладчик
De spreker kreeg een groot applaus.
springenA1неправильный
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
прыгать
Hij sprong over de sloot.
de sproetenB2
веснушки
In de zomer krijgt zij sproeten.
de sprongB1
прыжок
Met één grote sprong stond hij aan de overkant.
het sprookjeB1
сказка
Elk sprookje heeft een moraal.
spuitenB2неправильный
spoot · spoten · hebben gespoten
брызгать, распылять; колоть
De brandweer spoot water op het brandende huis.
het spulB2
вещи, барахло
Ruim je spullen op voordat het bezoek komt.
de spullenA1
вещи
Neem je spullen mee.
het staafdiagramB2
столбчатая диаграмма
Het staafdiagram vergelijkt vier jaren.
het staalB2
сталь; образец
De brug is gemaakt van staal.
staanA1неправильный
stond · stonden · hebben gestaan
стоять
De auto staat voor het huis.
быть написанным, значиться
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

