Словарь
796 слов · страница 16 из 32
de longA1
лёгкое
Roken is slecht voor je longen.
lopenA1неправильный
liep · liepen · hebben/zijn gelopen
ходить пешком
Ik loop elke dag naar mijn werk.
идти, длиться (о сроке)
De cursus loopt van september tot juni.
de luciferA1
спичка
Heb je een lucifer?
de lunchA1
обед
De lunch is om half een.
de maagA1
желудок
Ik heb last van mijn maag.
de maandA1
месяц
Volgende maand ga ik op vakantie.
de maandagA1
понедельник
Op maandag begin ik om negen uur.
maandelijksA1
ежемесячно
De huur betaal je maandelijks.
maarA1
но
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
maartA1
март
De cursus start in maart.
makenA1
maakte · hebben gemaakt
делать, изготавливать
Zij maakt een taart voor het feest.
makkelijkA1
лёгкий
Deze oefening is makkelijk.
de mamaA1
мама
Mama, mag ik vanmiddag bij mijn vriendin spelen?
de manA1
мужчина
Die man werkt in de winkel.
муж
Haar man haalt de kinderen van school.
de manierA1
способ
Dat is een handige manier om te oefenen.
het matrasA1
матрас
Dit matras is te zacht voor mij.
meeA1
с собой, вместе (с кем-то)
Ga je vanavond mee naar de bioscoop?
het meelA1
мука
Voor dit recept heb je meel nodig.
meerA1
больше
Ik heb meer tijd nodig.
het meer
озеро
In de zomer zwemmen we in het meer.
meesteA1
большинство
De meeste mensen komen met de fiets.
meiA1
май
Mijn verjaardag is in mei.
het meisjeA1
девочка
Het meisje speelt buiten.
meldenA1
meldde · hebben gemeld
сообщать, уведомлять
U moet een verhuizing melden bij de gemeente.
de melkA1
молоко
Wil je melk in je koffie?
de meneerA1
господин; мужчина (вежл.)
Goedemorgen meneer, kan ik u ergens mee helpen?

