Словарь
2767 слов · страница 15 из 111
de brandA2
пожар
Bij brand moet je direct 112 bellen.
breedA1
широкий
Dit is een brede straat.
brekenA2неправильный
brak · braken · hebben/zijn gebroken
ломать; разбивать
Ze is gevallen en heeft haar arm gebroken.
brengenA1неправильный
bracht · brachten · hebben gebracht
приносить, отвозить
Ik breng de kinderen naar school.
de briefA1
письмо
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
de briefkaartB1
почтовая открытка
Ik stuurde een briefkaart uit Spanje.
de briefwisselingB1
переписка
De briefwisseling met de gemeente duurde maanden.
de brievenbusA1
почтовый ящик
Er zit post in de brievenbus.
de brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
de broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
de broerA1
брат
Mijn broer woont in België.
de bronA1
источник
Controleer altijd de bron van een bericht.
het broodA1
хлеб
Ik eet elke ochtend brood.
de brugA2
мост
De brug is open voor een boot.
de brugopeningB1
разведение моста
Door de brugopening stond het verkeer stil.
bruinA1
коричневый
Ik eet liever bruin brood.
het budgetA2
бюджет
Mijn budget voor deze maand is op.
de buikA1
живот
Mijn buik doet pijn.
de buikpijnA2
боль в животе
Het kind heeft buikpijn.
buitenA1
снаружи, на улице
De kinderen spelen buiten.
de buitenlampA1
наружный светильник
De buitenlamp gaat automatisch aan.
het buitenlandA2
заграница
Wij gaan deze zomer op vakantie naar het buitenland.
buitenlandsB1
иностранный
Op onze school leren veel buitenlandse studenten Nederlands.
de buitenruimteA2
открытая площадка при жилье
De woning heeft geen buitenruimte.
de buitensportB1
спорт на открытом воздухе
Buitensport is gezond, ook in de winter.

