Словарь
3699 слов · страница 148 из 148
het zorgplanB1
план ухода
In het zorgplan staat wie wat doet.
de zorgtoeslagA2
пособие на медстраховку
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverlenerB1
медицинский работник
Bespreek dit met uw zorgverlener.
de zorgverzekeringA2
медицинская страховка
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
het zoutA1
соль
Er zit te veel zout in.
солёный
De soep is me veel te zout.
zoveelA2
столько
Ik heb nog nooit zoveel sneeuw gezien.
zoverB1
готов; так далеко
Ben je zover, kunnen we vertrekken?
zowelB1
как … так и
Zowel mijn broer als mijn zus woont in Utrecht.
zuidelijkB1
южный
In het zuidelijke deel van het land is het heuvelachtig.
het zuidenA2
юг
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
zulkB1
такой
Zulk mooi weer hebben we lang niet gehad.
zullenA1неправильный
zou · zouden
будет (буд. время)
Zullen we koffie drinken?
de zusA1
сестра
Ik bel mijn zus elke week.
zuurA2
кислый
De melk is zuur geworden.
zwaaienA2
zwaaide · hebben gezwaaid
махать
De kinderen zwaaien naar de trein.
zwaarA2
тяжёлый
Deze koffer is te zwaar voor het vliegtuig.
de zwagerA1
шурин, деверь
Mijn zwager woont in Rotterdam.
zwakA1
слабый
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
беременная
Mijn zus is zeven maanden zwanger.
zwartA1
чёрный
Hij heeft zwarte schoenen aan.
нелегально, без оформления (о работе)
Zwart werken kan een hoge boete opleveren.
zwellenB1неправильный
zwol · zwollen · zijn gezwollen
опухать
Na de val begon mijn enkel te zwellen.
het zwembadB1
бассейн
Het zwembad is op maandag gesloten.
zwemmenB1неправильный
zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen
плавать
Ik ga twee keer per week zwemmen.
zwijgenB1неправильный
zweeg · zwegen · hebben gezwegen
молчать
Toen de leraar binnenkwam, zweeg iedereen.

