Словарь
7809 слов · страница 141 из 313
leggenA1
legde · hebben gelegd
класть
Leg het boek op tafel.
de legitimatieB1
удостоверение личности
Bij de balie moet u legitimatie tonen.
leidenB1
leidde · hebben geleid
руководить, вести
Zij leidt al vijf jaar een team van tien mensen.
de leiderB1
лидер, предводитель
De leider van de groep vertelt waar we heen gaan.
het leiderschapB2
лидерство, руководство
Voor deze functie zijn leiderschap en ervaring nodig.
de leidingB1
руководство; трубопровод
Zij heeft de leiding over het hele project.
de leidinggevendeB1
руководитель
Bespreek dat met je leidinggevende.
het leidingwerkB2
трубопроводы
Het leidingwerk zit weggewerkt in de muur.
lekA2
дырявый, проколотый
Mijn fietsband is lek, ik moet lopen.
lekkenB1
lekte · hebben gelekt
протекать
Het dak lekt als het hard regent.
lekkerA1
вкусный, приятный
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
уродливый
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenenA2
leende · hebben geleend
одалживать
Kan ik tien euro van je lenen?
de lengteA2
длина; рост
Wat is je lengte en je gewicht?
de leningB1
кредит, заём
Hij sloot een lening af voor de auto.
de lenteA1
весна
In de lente bloeien de tulpen.
de lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
de leraarA2
учитель
De leraar legt het nog een keer uit.
lerenA1
leerde · hebben geleerd
учить(ся)
Ik leer nu een jaar Nederlands.
de lesA1
урок, занятие
De les Nederlands begint om negen uur.
lesbischB2
лесбийский
Hun buurvrouw is lesbisch en woont samen met haar vrouw.
lesgevenB2отделяемыйнеправильный
gaf les · gaven les · hebben lesgegeven
преподавать
Zij geeft al twintig jaar les op een basisschool.
het lesmateriaalA2
учебные материалы
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
de lesmethodeB1
методика преподавания
Deze lesmethode werkt goed voor volwassenen.
het lesroosterA2
расписание занятий
Het lesrooster hangt bij de ingang.

