Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

1053 слов · страница 13 из 43

  • de gootsteenA1

    раковина

    De vuile borden staan in de gootsteen.

  • het gordijnA2

    штора

    Doe de gordijnen even dicht.

  • het goudA2

    золото

    Haar ring is van echt goud.

  • het gramA2

    грамм

    Ik heb 500 gram kaas gekocht.

  • de grammaticaA2

    грамматика

    De grammatica vind ik het moeilijkst.

  • de grapA2

    шутка

    Die grap viel verkeerd.

  • de grensA2

    граница; предел

    Bij de grens met Duitsland is geen controle meer.

  • de griepA2

    грипп

    Half kantoor heeft de griep.

  • de griepprikA2

    прививка от гриппа

    Ouderen krijgen elk jaar een griepprik.

  • de groenteA2

    овощи

    Eet elke dag genoeg groente.

  • de groepA1

    группа

    De groep vertrekt om negen uur met de bus.

  • de groepslesA2

    групповое занятие

    Een groepsles is goedkoper dan privéles.

  • de grondwetA2

    конституция

    Dat recht staat in de grondwet.

  • de grootmoederA2

    бабушка (офиц.)

    Mijn grootmoeder is geboren in een dorp in Friesland.

  • de grootvaderA2

    дедушка (офиц.)

    Mijn grootvader werkte vroeger als visser op zee.

  • het haarA1

    волосы

    Zij heeft lang haar.


    её (притяжательное)

    Anna zoekt haar sleutels in haar tas.

  • de haastA2

    спешка

    Ik heb haast, want mijn bus vertrekt zo.

  • de hagelslagA1

    шоколадная посыпка

    Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.

  • de halteA2

    остановка

    De halte is om de hoek.

  • de hamA1

    ветчина

    Ik neem een boterham met ham.

  • de handA1

    рука (кисть)

    Was je handen voor het eten.

  • de handdoekA1

    полотенце

    De handdoek hangt in de badkamer.

  • de handtekeningA2

    подпись

    Zet hier onderaan het formulier uw handtekening.

  • het hartA1

    сердце

    Mijn hart klopt snel.

  • de hartslagA1

    пульс, сердцебиение

    Mijn hartslag gaat snel na het sporten.