Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

7809 слов · страница 128 из 313

  • de klantA2

    клиент, покупатель

    De klant heeft altijd gelijk.

  • het klantcontactB1

    работа с клиентами

    In deze functie heb je veel klantcontact.

  • de klantenkaartA2

    карта постоянного клиента

    Met een klantenkaart spaar je punten.

  • de klantenserviceA2

    служба работы с клиентами

    Bel de klantenservice als het niet werkt.

  • klantgerichtB2

    клиентоориентированный

    Wij werken klantgericht.

  • de klapB2

    удар; хлопок

    Het verlies van zijn baan was een harde klap.

  • klappenB2

    klapte · hebben geklapt

    хлопать (в ладоши)

    Na de voorstelling klapte het publiek heel lang.

  • de klasA1

    класс (группа учеников)

    In mijn klas zitten studenten uit tien landen.

  • de klasgenootA2

    одноклассник

    Mijn klasgenoot komt uit Syrië.

  • het klaslokaalA2

    классная комната

    Het klaslokaal is op de tweede verdieping.

  • de klasseB1

    класс (уровень)

    Hij reist altijd in de eerste klasse.

  • het klassementB2

    общий зачёт, турнирная таблица

    Na de etappe staat zij eerste in het klassement.

  • klassiekB1

    классический

    Mijn vader luistert graag naar klassieke muziek.

  • de klassiekerB2

    классика

    Deze film is een echte klassieker.

  • klassikaalB2

    фронтальный, для всего класса

    De uitleg gebeurt klassikaal.

  • de klaverB2

    клевер

    Klaver is goed voor de bodem.

  • zich kledenB2возвратный

    kleedde · hebben gekleed

    одевать(ся)

    Zij kleedt zich altijd netjes voor haar werk.

  • de kledingA2

    одежда (общее)

    In deze winkel verkopen ze kleding voor kinderen.

  • het kledingstukB2

    предмет одежды

    Elk kledingstuk wordt apart geprijsd.

  • de kleedkamerB2

    раздевалка

    Na de training douchen de spelers in de kleedkamer.

  • de kleigrondB2

    глинистая почва

    Op kleigrond groeit tarwe goed.

  • kleinA1

    маленький

    Mijn kamer is klein maar gezellig.

  • de kleindochterA1

    внучка

    Zijn kleindochter gaat al naar school.

  • het kleinkindA1

    внук, внучка

    Zij heeft drie kleinkinderen.

  • het kleintjeB1

    малыш

    Het kleintje slaapt nu, dus praat zacht.