Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

3981 слов · страница 11 из 160

  • de batterijA1

    батарейка

    De batterij is leeg.

  • het bedA1

    кровать

    Ik ga vroeg naar bed.

  • de bedenktijdB2

    срок на размышление

    Je hebt veertien dagen bedenktijd.

  • het bederfB2

    порча продуктов

    Bij warmte treedt bederf sneller op.

  • de bedoelingB1

    намерение, цель

    Het was niet mijn bedoeling om je pijn te doen.

  • het bedragA2

    сумма

    Het bedrag staat onderaan de rekening.

  • het bedrijfA1

    компания, фирма

    Zij werkt bij een groot bedrijf.

  • de bedrijfsartsB2

    врач предприятия

    De bedrijfsarts adviseert over je terugkeer.

  • de bedrijfscultuurB1

    корпоративная культура

    De bedrijfscultuur hier is informeel.

  • de bedrijfshulpverleningB2

    аварийная служба предприятия

    Hij is opgeleid voor bedrijfshulpverlening.

  • de bedrijfskledingA2

    рабочая форма

    De bedrijfskleding krijg je van je werkgever.

  • de bedrijfsleidingB2

    руководство компании

    De bedrijfsleiding kondigde reorganisatie aan.

  • het bedrijfsongevalB2

    производственная травма

    Elk bedrijfsongeval moet gemeld worden.

  • de bedrijfsopleidingB2

    корпоративное обучение

    De bedrijfsopleiding duurt zes maanden.

  • het bedrijfsprocesB2

    бизнес-процесс

    Elk bedrijfsproces wordt jaarlijks doorgelicht.

  • de bedrijfsregelsA2

    правила компании

    Lees de bedrijfsregels op je eerste werkdag.

  • het bedrijfsresultaatB2

    результат деятельности компании

    Het bedrijfsresultaat viel dit kwartaal tegen.

  • de bedrijfsstrategieB2

    стратегия компании

    De bedrijfsstrategie is voor vijf jaar vastgelegd.

  • de bedrijfstakB2

    отрасль

    In deze bedrijfstak is de concurrentie hevig.

  • het bedrijfsuitjeA2

    корпоративный выезд

    Volgende maand is het bedrijfsuitje.

  • de bedrijfsvoeringB2

    управление предприятием

    De bedrijfsvoering is de laatste jaren efficiënter geworden.

  • de beekB2

    ручей

    Door het bos loopt een beek.

  • het beeldB1

    изображение, картинка; статуя

    Het beeld op de televisie is niet scherp.

  • het beeldhouwwerkB2

    скульптура

    Op het plein staat een modern beeldhouwwerk.

  • de beeldkwaliteitB2

    качество изображения

    De beeldkwaliteit van de opname is slecht.