Словарь
1768 слов · страница 10 из 71
de brilA1
очки
Zonder bril zie ik niets.
de broekA1
брюки
Deze broek is te lang.
de broerA1
брат
Mijn broer woont in België.
de bronA1
источник
Controleer altijd de bron van een bericht.
het broodA1
хлеб
Ik eet elke ochtend brood.
de brugA2
мост
De brug is open voor een boot.
de brugopeningB1
разведение моста
Door de brugopening stond het verkeer stil.
het budgetA2
бюджет
Mijn budget voor deze maand is op.
de buikA1
живот
Mijn buik doet pijn.
de buikpijnA2
боль в животе
Het kind heeft buikpijn.
de buitenlampA1
наружный светильник
De buitenlamp gaat automatisch aan.
het buitenlandA2
заграница
Wij gaan deze zomer op vakantie naar het buitenland.
de buitenruimteA2
открытая площадка при жилье
De woning heeft geen buitenruimte.
de buitensportB1
спорт на открытом воздухе
Buitensport is gezond, ook in de winter.
het bureauA2
письменный стол; бюро
Ik heb een bureau bij het raam in mijn kamer.
de burenA2
соседи
Onze buren zijn erg vriendelijk.
de burgemeesterA2
бургомистр, мэр
De burgemeester opende de nieuwe brug.
de burgerA2
гражданин
Elke burger heeft dezelfde rechten.
het burgerinitiatiefB1
гражданская инициатива
Het burgerinitiatief kreeg veel handtekeningen.
de burgerplichtB1
гражданский долг
Belasting betalen is een burgerplicht.
het burgerrechtB1
гражданское право
Stemmen is een burgerrecht.
het burgerservicenummerA2
номер гражданина (BSN)
U hebt uw burgerservicenummer nodig.
de burgerzakenB1
отдел ЗАГС/гражданских дел
Voor een paspoort ga je naar Burgerzaken.
de busA2
автобус
De bus stopt voor het station.
het bushokjeA2
навес на остановке
We schuilden in het bushokje voor de regen.

