Словарь
31 слов · страница 1 из 2
zachtA1
мягкий
Dit kussen is lekker zacht.
тихий, негромкий (о звуке)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
de zakA1
карман; мешок
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
de zaterdagA1
суббота
Op zaterdag doe ik boodschappen.
de zeeA1
море
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
мыло
Was je handen met zeep.
zeggenA1неправильный
zei · zeiden · hebben gezegd
говорить, сказать
Wat zei je?
zekerA1
уверенный, точно
Weet je dat zeker?
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
шесть
We eten om zes uur.
zestigA1
шестьдесят
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
zette · hebben gezet
ставить
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
семь
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
семьдесят
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
ziekA1
больной
Ik ben vandaag ziek.
de ziekteA1
болезнь
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zienA1неправильный
zag · zagen · hebben gezien
видеть
Ik zie je morgen.
zijnA1неправильный
was · waren · zijn geweest
быть
Ik ben blij dat je er bent.
его (притяжательное)
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zittenA1неправильный
zat · zaten · hebben gezeten
сидеть
Zij zit op de bank.
находиться, лежать (внутри чего-то)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoA1
так
Doe het zo.
zoekenA1неправильный
zocht · zochten · hebben gezocht
искать
Ik zoek mijn sleutels.
de zolderA1
чердак
De oude spullen liggen op zolder.
de zomerA1
лето
In de zomer gaan we naar het strand.
de zondagA1
воскресенье
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
без
Koffie zonder suiker, alstublieft.
de zoonA1
сын
Hun zoon gaat naar school.

