Словарь
17 слов · страница 1 из 1
zelfA1
сам
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
шесть
We eten om zes uur.
zestigA1
шестьдесят
Mijn vader is zestig geworden.
zevenA1
семь
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
семьдесят
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zijnA1неправильный
was · waren · zijn geweest
быть
Ik ben blij dat je er bent.
его (притяжательное)
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zoA1
так
Doe het zo.
zo'nA2
такой; около
Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.
zoalsA2
как (например); так, как
Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.
zodatB2
так что
Schrijf duidelijk, zodat iedereen het begrijpt.
zodraB1
как только
Ik bel je zodra ik thuis ben.
zoietsA2
что-то такое, нечто подобное
Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
zolangB1
пока, до тех пор пока
Je mag hier blijven zolang je wilt.
zonderA1
без
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zoveelA2
столько
Ik heb nog nooit zoveel sneeuw gezien.
zowelB1
как … так и
Zowel mijn broer als mijn zus woont in Utrecht.
zulkB1
такой
Zulk mooi weer hebben we lang niet gehad.

