Словарь
40 слов · страница 1 из 2
waarA1
где
Waar woon je?
waaromA1
почему
Waarom kom je niet?
waarschijnlijkA1
вероятно
Hij komt waarschijnlijk te laat.
wakkerA1
проснувшийся (wakker worden: просыпаться)
Ik word elke ochtend om zes uur wakker.
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
гулять
We gaan zondag wandelen.
de wangA1
щека
Haar wangen zijn rood van de kou.
wanneerA1
когда
Wanneer begint de les?
wantA1
ведь, потому что (сочинительный)
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
warmA1
тёплый, горячий
De soep is nog warm.
de wasmandA1
корзина для белья
De vuile kleren liggen in de wasmand.
watA1
что
Wat doe je?
het waterA1
вода
Drink veel water op een warme dag.
de wedstrijdA1
матч, соревнование
De wedstrijd begint om drie uur.
de weekA1
неделя
Deze week werk ik thuis.
de weekdagA1
будний день
Op weekdagen sta ik vroeg op.
het weekendA1
выходные
In het weekend werk ik niet.
het weerA1
погода
Het weer verandert hier snel.
снова, опять
Hij is weer te laat op zijn werk gekomen.
de wegA1
дорога
Deze weg gaat naar het centrum.
weinigA1
мало
Ik heb weinig tijd.
wekelijksA1
еженедельно
De les is wekelijks op dinsdag.
welA1
же, всё-таки (утвердит. частица)
Ik heb geen auto, maar wel een fiets.
welkeA1
какой
Welke bus moet ik nemen?
welkomA1
добро пожаловать
Welkom bij ons thuis!
de wereldA1
мир
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
het werkA1
работа
Ik ga om acht uur naar mijn werk.

