Словарь
35 слов · страница 1 из 2
vastB1
наверняка
Hij is vast al thuis, want het licht brandt.
постоянный (контракт)
Ik heb sinds januari een vast contract.
vegetarischA2
вегетарианский
Hebben jullie ook vegetarische gerechten?
veiligA1
безопасный
Werk altijd veilig met deze machine.
verantwoordelijkA2
ответственный
Iedereen is verantwoordelijk voor zijn eigen afval.
verbaasdA2
удивлённый
Ik was verbaasd over zijn antwoord.
verdrietigA2
грустный
Zij was verdrietig na het nieuws.
vergelijkbaarA2
сопоставимый
De prijzen zijn vergelijkbaar.
verkeerdA2
неправильный, не тот
Sorry, ik heb het verkeerde nummer gebeld.
verkoudenA2
простуженный
Ik ben een beetje verkouden.
verlegenA2
застенчивый
Hij is nogal verlegen bij nieuwe mensen.
verloofdA1
помолвленный
Ze zijn sinds vorige maand verloofd.
verplichtB1
обязательный
Deelname is niet verplicht.
versA2
свежий
Dit brood is niet meer vers.
het vers
стих, строфа
Het gedicht bestaat uit vier verzen van elk vier regels.
verschillendA1
различный
We hebben verschillende opties bekeken.
verschrikkelijkA2
ужасный
Het weer was op vakantie echt verschrikkelijk.
verstaanbaarB1
внятный, разборчивый
Praat langzaam en verstaanbaar.
vertraagdB1
задержанный, опаздывающий
De trein is tien minuten vertraagd.
verzekerdB1
застрахованный
Bent u verzekerd voor tandartskosten?
vierkantA1
квадратный
Het plein is bijna vierkant.
viesA1
грязный
Je schoenen zijn vies.
противный, невкусный (о вкусе, запахе)
Deze medicijnen smaken behoorlijk vies.
vlakB1
плоский, ровный
Nederland is een erg vlak land.
совсем (рядом)
De bushalte is vlak bij mijn huis.
volA1
полный
De bus is helemaal vol.
voldoendeB1
достаточный; удовлетворительно
Voor dit examen heb je een voldoende nodig.
volgendA1
следующий
Volgende week begin ik met de cursus.
volledigB1
полный; полностью
Vul het formulier volledig en duidelijk in.

