Словарь
91 слов · страница 1 из 4
de taakA2
задача
Dat is niet mijn taak.
de taakomschrijvingA2
описание обязанностей
Dat staat niet in mijn taakomschrijving.
de taalA1
язык
Nederlands is een moeilijke taal.
de taallesA2
урок языка
Ik heb twee keer per week taalles.
de taaltoetsA2
языковой тест
Voor de cursus doe je eerst een taaltoets.
de taartA1
торт
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
восемьдесят
Mijn oma is tachtig jaar.
de tafelA1
стол
Het eten staat op tafel.
de takenlijstA2
список задач
Ik werk mijn takenlijst af.
de tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
de tandartsA2
стоматолог
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
de tandenborstelA1
зубная щётка
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
тётя
Mijn tante komt op bezoek.
het tapijtA2
ковёр
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
de tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
de taxiA2
такси
We namen een taxi naar het hotel.
teA1
слишком
Deze jas is te duur voor mij.
частица перед инфинитивом (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
het teamA2
команда
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamvergaderingA2
собрание команды
De teamvergadering is elke maandag.
de technologieA2
технология
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegelijkA2
одновременно
Praat niet allemaal tegelijk.
tegenA1
против; (говорить) кому-то
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
напротив (через дорогу)
De bakker zit tegenover de kerk.
tegenwoordigA2
в наши дни
Tegenwoordig werk ik vaker thuis.

