Словарь
2 слов · страница 1 из 1
tellenA1
telde · hebben geteld
считать
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
засчитываться, иметь значение
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
жениться, выходить замуж
Zij gaan in juni trouwen.

