Словарь
55 слов · страница 1 из 3
de taakA2
задача
Dat is niet mijn taak.
de taakomschrijvingA2
описание обязанностей
Dat staat niet in mijn taakomschrijving.
de taalA1
язык
Nederlands is een moeilijke taal.
de taallesA2
урок языка
Ik heb twee keer per week taalles.
de taaltoetsA2
языковой тест
Voor de cursus doe je eerst een taaltoets.
de taartA1
торт
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
de tafelA1
стол
Het eten staat op tafel.
de takenlijstA2
список задач
Ik werk mijn takenlijst af.
de tandA1
зуб
Er is een tand afgebroken.
de tandartsA2
стоматолог
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
de tandenborstelA1
зубная щётка
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
тётя
Mijn tante komt op bezoek.
het tapijtA2
ковёр
We hebben een nieuw tapijt gelegd.
de tasA1
сумка
Mijn tas staat naast de stoel.
de taxiA2
такси
We namen een taxi naar het hotel.
het teamA2
команда
Ik werk in een klein team van vijf collega's.
de teamvergaderingA2
собрание команды
De teamvergadering is elke maandag.
de technologieA2
технология
Nieuwe technologie verandert de arbeidsmarkt.
de teenA1
палец ноги
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
het tegoedA2
остаток средств
Er staat nog tegoed op mijn kaart.
de tekstA1
текст
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
телефон
Mijn telefoon is leeg.
de televisieA1
телевизор
De televisie staat de hele dag aan.
de testA2
тест, анализ
De dokter doet een test om te zien wat je hebt.
de theeA1
чай
Ik drink liever thee dan koffie.

