Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

229 слов · страница 3 из 10

  • de schuurA1

    сарай

    De fietsen staan in de schuur.

  • scorenA2

    scoorde · hebben gescoord

    забивать (гол), набирать (очки)

    Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.

  • de secondeA1

    секунда

    Wacht één seconde.

  • de secretaresseB1

    секретарь

    De secretaresse maakt een afspraak voor je met de directeur.

  • de sectorA2

    отрасль, сектор

    In deze sector is het tekort het grootst.

  • het seizoenA1

    время года

    De herfst is mijn favoriete seizoen.

  • de seizoensgroenteB1

    сезонные овощи

    Seizoensgroente is goedkoper en verser.

  • de seizoenswisselingB1

    смена времён года

    Bij de seizoenswisseling word ik vaak verkouden.

  • septemberA1

    сентябрь

    De school begint weer in september.

  • de serieA2

    сериал; серия

    Ik kijk elke avond een aflevering van mijn favoriete serie.

  • serieusB1

    серьёзный

    Is dit een grap of meen je het serieus?

  • het servetA2

    салфетка

    Er liggen servetten op tafel.

  • de serviceA2

    обслуживание, сервис

    De service in deze winkel is altijd erg goed.

  • de servicekostenA2

    коммунальные сборы

    De servicekosten komen boven op de huur.

  • de sfeerB1

    атмосфера, настроение

    Op het feest was een gezellige sfeer.

  • het shirtA1

    рубашка, футболка

    Hij draagt een wit shirt.

  • de showA2

    шоу, представление

    De show begint om acht uur in het theater.

  • simpelA2

    простой (несложный)

    Het recept is heel simpel, je hebt maar drie dingen nodig.

  • de sinaasappelA1

    апельсин

    Ik pers elke ochtend een sinaasappel.

  • sindsA1

    с (какого-то времени)

    Ik woon hier sinds 2022.

  • sindsdienB1

    с тех пор

    Hij is in 2020 verhuisd en sindsdien woont hij in Breda.

  • de situatieA2

    ситуация

    Leg de situatie even uit.

  • de slaA1

    салат (листовой)

    Er ligt sla in de koelkast.

  • slaanB1неправильный

    sloeg · sloegen · hebben geslagen

    бить, ударять

    Je mag een kind nooit slaan.

  • de slaapA1

    сон

    Ik heb te weinig slaap gehad.