Словарь
33 слов · страница 1 из 2
naA1
после
Na het eten gaan we wandelen.
de naamA1
имя
Wat is jouw naam?
naarA1
к, в (направление)
Ik ga naar mijn werk.
naastA1
рядом с
Hij zit naast mij.
de nachtA1
ночь
Ik heb de hele nacht slecht geslapen.
de nagelA1
ноготь
Mijn nagels zijn te lang.
natA1
мокрый
Mijn jas is helemaal nat.
natuurlijkA1
естественный; конечно
Dit is een natuurlijk product.
het NederlandsA1
нидерландский язык
Ik leer al twee jaar Nederlands op een taalschool.
neeA1
нет
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
de neefA1
двоюродный брат, племянник
Mijn neef is even oud als ik.
negenA1
девять
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
девяносто
Hij werd negentig jaar oud.
de nekA1
шея
Ik heb een stijve nek.
nemenA1неправильный
nam · namen · hebben genomen
брать
Ik neem de trein van acht uur.
netA1
только что
Hij is net weggegaan.
netjesA1
аккуратный, опрятный
Je kamer ziet er netjes uit.
de neusA1
нос
Mijn neus is verstopt.
de nichtA1
двоюродная сестра, племянница
Mijn nicht woont in Rotterdam.
niemandA1
никто
Er is niemand thuis.
de nierA1
почка
Hij heeft problemen met zijn nieren.
nietA1
не
Ik begrijp het niet.
nietsA1
ничего
Ik heb niets gezegd.
nieuwA1
новый
Ik heb een nieuwe telefoon.
het nieuwsA1
новости
Ik volg het nieuws elke ochtend.

