Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

91 слов · страница 2 из 4

  • meeA1

    с собой, вместе (с кем-то)

    Ga je vanavond mee naar de bioscoop?

  • meedoenA2отделяемыйнеправильный

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    участвовать

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2отделяемыйнеправильный

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    пойти вместе, присоединиться

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    служить долго (о вещах)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.

  • het meelA1

    мука

    Voor dit recept heb je meel nodig.

  • meemakenA2отделяемый

    maakte mee · hebben meegemaakt

    переживать, испытывать

    Ik heb veel meegemaakt dit jaar.

  • meenemenA2отделяемыйнеправильный

    nam mee · namen mee · hebben meegenomen

    брать с собой

    Neem je paspoort mee.


    учитывать, принимать во внимание

    We nemen jouw voorstel mee in het besluit.

  • meerA1

    больше

    Ik heb meer tijd nodig.


    het meer

    озеро

    In de zomer zwemmen we in het meer.

  • meestalA2

    обычно

    Ik ga meestal met de fiets.

  • meesteA1

    большинство

    De meeste mensen komen met de fiets.

  • de meesterA2

    учитель (нач. школы); мастер

    De meester leest elke dag voor aan de klas.

  • meiA1

    май

    Mijn verjaardag is in mei.

  • de meidA2

    девочка, девушка (разг.)

    Onze buurvrouw heeft twee meiden en een zoon.

  • het meisjeA1

    девочка

    Het meisje speelt buiten.

  • meldenA1

    meldde · hebben gemeld

    сообщать, уведомлять

    U moet een verhuizing melden bij de gemeente.

  • de melkA1

    молоко

    Wil je melk in je koffie?

  • de meneerA1

    господин; мужчина (вежл.)

    Goedemorgen meneer, kan ik u ergens mee helpen?

  • de meningA2

    мнение

    Wat is jouw mening hierover?

  • de mensA1

    человек

    Hij is een aardig mens.

  • de mensenA1

    люди

    Er waren veel mensen op het feest.

  • het merkA2

    марка, бренд

    Welk merk koop jij meestal?

  • merkenA2

    merkte · hebben gemerkt

    замечать

    Ik merk dat het beter gaat.


    de merken

    марки, бренды (мн. ч. от merk)

    In deze winkel verkopen ze alleen bekende merken.

  • het mesA1

    нож

    Dit mes is niet scherp.

  • metA1

    с

    Ik ga met de fiets.

  • meteenA1

    сразу

    Ik kom er meteen aan.

  • de meterA1

    метр

    De kamer is vier meter lang en drie meter breed.