Словарь
17 слов · страница 1 из 1
kamperenB1
kampeerde · hebben gekampeerd
жить в палатке
We gaan deze zomer kamperen in Frankrijk.
kennenA1
kende · hebben gekend
знать (кого-то)
Ken je die man?
kiezenA1неправильный
koos · kozen · hebben gekozen
выбирать
Je moet zelf kiezen.
kijkenA1неправильный
keek · keken · hebben gekeken
смотреть
We kijken vanavond naar een film.
klaarmakenA2отделяемый
maakte klaar · hebben klaargemaakt
приготовить
Ik maak het eten klaar.
klagenB1
klaagde · hebben geklaagd
жаловаться
De buren klagen over het lawaai.
klikkenA2
klikte · hebben geklikt
кликать, нажимать
Klik op de blauwe knop om verder te gaan.
klinkenB1неправильный
klonk · klonken · hebben geklonken
звучать
Dat plan klinkt goed, laten we het proberen.
kloppenA2
klopte · hebben geklopt
быть верным; стучать
Klopt dit adres?
klussenB1
kluste · hebben geklust
мастерить, делать ремонт своими руками
Mijn buurman is elke zaterdag in zijn huis aan het klussen.
knippenA2
knipte · hebben geknipt
стричь, резать (ножницами)
Ik laat morgen mijn haar knippen bij de kapper.
kokenA2
kookte · hebben gekookt
готовить
Wie kookt er vanavond?
кипеть
Wacht tot het water kookt en doe dan de pasta erin.
komenA1неправильный
kwam · kwamen · zijn gekomen
приходить
Kom je vanavond ook?
kopenA1неправильный
kocht · kochten · hebben gekocht
покупать
Ik koop brood bij de bakker.
kostenA2
kostte · hebben gekost
стоить
De cursus kost honderd euro per maand.
de kosten
затраты, стоимость
De kosten vallen mee.
krijgenA1неправильный
kreeg · kregen · hebben gekregen
получать
Ik heb een brief gekregen.
kunnenA1неправильный
kon · konden · hebben gekund
мочь, уметь
Kun je mij helpen?

