Словарь
145 слов · страница 1 из 6
gaanA1неправильный
ging · gingen · zijn gegaan
идти, ехать
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
играть в видеоигры
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
de gangA1
коридор
Zet je schoenen in de gang.
de garageA1
гараж
De fiets staat in de garage.
de garantieA2
гарантия
Er zit twee jaar garantie op.
de gastA2
гость
Op ons feest waren meer dan vijftig gasten.
de gastheerB1
хозяин (принимающий)
Hij was een uitstekende gastheer.
gastvrijB1
гостеприимный
Zij zijn heel gastvrij voor bezoek.
het gatA2
дыра, дырка
Er zit een gat in mijn sok.
gauwA1
скоро
Tot gauw!
het gebakA1
выпечка, пирожное
Bij de koffie was er gebak.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
происходить
Wat is er gebeurd?
de gebeurtenisB1
событие
De krant schrijft over de belangrijkste gebeurtenissen van het jaar.
het gebiedB1
область, территория
In dit gebied mag je geen huizen bouwen.
geborenA1
родившийся (ben geboren: родился)
Ik ben in 1990 in Syrië geboren.
het gebouwA2
здание
Het gemeentehuis is een groot wit gebouw.
het gebruikA1
использование
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikelijkA2
принятый, обычный
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
использовать
Mag ik je telefoon even gebruiken?
de gebruikerB1
пользователь
Elke gebruiker krijgt een eigen wachtwoord.
de gedachteB1
мысль
Ik kan die gedachte niet uit mijn hoofd krijgen.
het gedeelteB1
часть, участок
Een groot gedeelte van de stad heeft geen stroom.
het gedichtA2
стихотворение
Dit gedicht staat in elk schoolboek.
het gedragB1
поведение
De leraar praat met de ouders over het gedrag van hun zoon.
zich gedragenB1возвратныйнеправильный
gedroeg · gedroegen · hebben gedragen
вести себя
De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.

